Antiwitwas: welke waakzaamheid bij een beperkte opdracht?

Niet zelden wordt een economische beroepsbeoefenaar door een cliënt aangesproken voor een beperkte opdracht.
Een beperkte opdracht is een eenmalige opdracht waarbij het contact met de cliënt te beperkt is om zich een algemeen beeld te vormen van wat er binnen de onderneming gebeurt. Voorbeelden zijn:
  • Occasionele bijstand aan een cliënt bij de vervulling van zijn fiscale verplichtingen;
  • Opmaken van de jaarrekeningen zonder opdracht voor de controle en/of verificatie van de boekhouding;
  • Bijstand aan de cliënt in het kader van de oprichting van de vennootschap (opstellen van een financieel plan enz.);
  • Opstellen van bijzondere verslagen die vereist zijn bij de omvorming van een vennootschap tot een andere vennootschap[1]…;
  • (...)
In het algemeen gaat het om eenmalige opdrachten zonder een doorlopende zakelijke relatie met een cliënt waarbij het bedrag van de transacties hoger is dan 10.000 euro[2]. Zelfs als het totaalbedrag van de transacties niet hoger is dan 10.000 euro moet het lid zijn verplichtingen inzake identificatie en verificatie van de cliënt nauwlettend nakomen als hij een witwasrisico vermoedt. Dit kan het geval zijn bij een aanvraag om een financieel plan op te stellen voor een onderneming in een risicosector (bouw, industriële reiniging enz.), als het lid vermoedt te maken te hebben met een stroman (een jongere die niet werkt en onvoldoende kennis heeft van de sector, obscure financiële middelen ...).

Het ITAA wenst te wijzen op de gevaren van beperkte opdrachten waarbij de economische beroepsbeoefenaars geen toegang hebben tot alle informatie die essentieel is om witwassen van geld te voorkomen.

De economische beroepsbeoefenaar dient een gedeeltelijke kennis van de cliënt als een hoge risicofactor voor het witwassen van geld te beschouwen.

Wij verwijzen met name naar het model voor algemene risicobeoordeling dat het ITAA ter beschikking stelt in punt 20.3 van de Handleiding interne procedures (https://www.itaa.be/wp-content/uploads/07112019-model-interne-procedures-.pdf). Daarin lezen we: "De eenmaligheid of het hoogdringend karakter van een opdracht wordt in het algemeen beschouwd als een risico verhogende factor wegens mogelijks onvoldoende mogelijkheid om voldoende inzicht te verwerven in de cliënt en/of verrichtingen. Het gegeven dat een zakelijke relatie zich op lange termijn afspeelt wordt in het algemeen beschouwd als een risico verlagende factor daar er voldoende tijd is om inzicht te verwerven in cliënt en/of verrichtingen."

Bovendien stelde de Financiële actiegroep (FAGI-FAG) een richtsnoer op voor de economische beroepen. De meest relevante punten in de richtsnoeren van de GAFI-FAG worden samengevat in punt 22 van de Handleiding interne procedures. In punt 22.4 worden de algemene risico verhogende factoren opgesomd. Dat zijn met name:
  • niet-verklaarbare hoogdringendheid;
  • de ongebruikelijke complexiteit van de cliënt of de verrichtingen;
  • de ongewoon korte duur van de zakelijke relatie (beperkte contacten bij éénmalige opdrachten kunnen een hoger risico met zich brengen).

Hoewel achter een beperkte opdracht niet noodzakelijk witwaspraktijken schuilgaan, is het in ieder geval een waarschuwingssignaal/ indicator van een hoog risico waarmee de economische beroepsbeoefenaar rekening dient te houden. Daarom is verhoogde waakzaamheid vereist.

Wat kunnen we concreet doen om te vermijden dat we ongewild medeplichtigen worden aan ongeoorloofde verrichtingen van cliënten?
1. Vraag u vooreerst af waarom de cliënt uw kantoor heeft uitgekozen.
  • Wat zijn voor de cliënt de beweegredenen om uw kantoor uit te kiezen? Zijn die duidelijk en stroken ze met de omvang, de locatie en het specialisatiegebied van uw kantoor?
  • Waarom vertrouwt de cliënt u slechts een beperkte opdracht toe?
  • Is het gerechtvaardigd dat de cliënt u vraagt de verrichtingen in een zo korte termijn of snel tempo uit te voeren dat het voor u moeilijk is om een correcte risicobeoordeling uit te voeren?
2. Stel de cliënten vragen om meer inzicht te verwerven in hun activiteiten en de uitgevoerde financiële verrichtingen. Een goede kennis van de cliënt (KYC) is immers de sleutel om niet in de val van het witwassen te lopen.
3. De maatregelen die in het kader van een verscherpt cliëntenonderzoek worden genomen, moeten in ieder geval voldoende zijn om meer inzicht te verwerven in de context en het doel van de verrichtingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de herkomst en de bestemming van de geldmiddelen vast te stellen of meer informatie over de activiteiten van de cliënt te verzamelen. De verrichtingen moeten ook vaker en met meer aandacht voor details worden gecontroleerd om atypische of onverwachte verrichtingen te identificeren en tot een vermoeden van witwaspraktijken kunnen leiden.
4. Eventuele vermoedens moeten worden gemeld bij de CFI.

----------------------------------------
[1] Bij de opstelling van bijzondere verslagen moeten de leden ook aan de 'Cel Begeleiding' een verslag afleveren over de correcte uitvoering van hun verplichtingen voor de voorkoming van het witwassen van geld. De Cel Begeleiding vraagt de leden om bij het opstellen van dit verslag duidelijker te zijn over de naleving van hun verplichtingen ter voorkoming van het witwassen van geld.
[2] Artikel 21 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten

      Tags

      • Antiwitwassen van geld
      • CFI
      • Waakzaamheid ten aanzien van cliënten.
      • beperkte opdrachten