Hervorming van ondernemingsrecht is vorige week in werking getreden

Geachte confraters,

Op 1 november 2018 trad de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht (Belgisch Staatsblad van 27 april 2018, 2de editie) in werking.

Enkele onderdelen van deze wet waren al in werking. Het betreft enerzijds de artikelen die Boek XX in het Wetboek van economisch recht (WER) aanpassen en in werking deden treden op 1 mei 2018 en anderzijds de benoemingsvoorwaarden voor rechters in ondernemingszaken.

Nieuw ondernemingsbegrip
Artikel 35 van de wet van 15 april 2018 voegt een nieuw ondernemingsbegrip in dat in principe als basisdefinitie dient voor het volledige WER. In de praktijk blijkt dit echter niet het geval te zijn, aangezien artikelen 38-47 van de hervormingswet het bestaande ondernemingsbegrip in de definities van de specifieke boeken opnemen als uitzondering op deze nieuwe definitie.

Het huidige ondernemingsbegrip blijft dus behouden voor de Boeken III, Titel II, Hoofdstuk 1 (transparantieverplichtingen voor ondernemingen), IV (bescherming van de mededinging), V (mededinging en prijsevoluties), VI (marktpraktijken en consumentenbescherming), XV (rechtshandhaving), XVI (consumenten-ADR) en XVII (bijzondere procedures, onder meer vordering tot staking) van het WER.

Het nieuwe ondernemingsbegrip zal dus in de praktijk enkel van toepassing zijn voor bepaalde onderdelen van Boek III (KBO en boekhoudrecht), voor Boek XX (insolventierecht) en voor de algemene bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank.

Daarnaast zorgen specifieke definities zoals inschrijvingsplichtige onderneming (KBO), boekhoudplichtige onderneming (boekhoudrecht) en schuldenaar (insolventierecht) nog voor uitzonderingen op het ondernemingsbegrip. De wet van 15 april 2018 leidt dus tot een caleidoscopische definitie van het begrip onderneming.

Ontmanteling van het Wetboek van Koophandel
Het merendeel van het Wetboek van koophandel wordt ingevoegd in diverse boeken van het WER. Het nieuwe ondernemingsbegrip maakt de begrippen ‘handelaar’ en ‘daden van koophandel’ overbodig. Het onderscheid tussen burgerlijke en handelsdaden verdwijnt. Om die reden wordt ook het bewijsrecht in het Burgerlijk Wetboek aangepast.

Artikel 254 van de wet van 15 april 2018 voorziet wel in een uitzondering op de opheffing van het begrip ‘handelaar’ of ‘koopman’ voor gereglementeerde beroepen, in die zin dat de toepassing van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen met verwijzing naar deze begrippen of hun afgeleide begrippen onverlet worden gelaten, zodat zij dus nog steeds beperkingen kunnen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen.

Voor accountants en belastingconsulenten betreft dit in het bijzonder artikel 31 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen. Dit is het verbod voor externe accountants en belastingconsulenten om een commercieel bedrijf of een taak van bestuurder of zaakvoerder uitoefenen in handelsvennootschappen of vennootschappen met handelsvorm te voeren zonder voorafgaande toestemming van de Raad van het IAB of zonder benoeming door de rechtbank.

Omvorming van de rechtbank van koophandel tot ondernemingsrechtbank
Als gevolg van de vervanging van het begrip ‘handelaar’ door het begrip ‘onderneming’ wordt de rechtbank van koophandel omgevormd tot ondernemingsrechtbank. Haar bevoegdheid is op dit nieuwe ondernemingsbegrip gesteund. De ondernemingsrechtbank wordt dus ook bevoegd voor alle vrije beroepsbeoefenaars die allen ondernemers zijn in de zin van het WER.

Opheffing van Boek XIV en aanpassing van Boek VI WER
Boek XIV, dat in een aparte regeling inzake marktpraktijken en consumentenbescherming voor vrije beroepers voorzag, wordt opgeheven. Boek VI wordt na enkele kleine wijzigingen integraal van toepassing op vrije beroepers zonder dat de vraag nog gesteld moet worden of de door de vrije beroepsbeoefenaar uitgeoefende activiteiten voor hem al dan niet intellectueel kenmerkend zijn.

Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 16 december 2016 geoordeeld dat bovenop de regels uit Boek VI ook nog strengere deontologische regels van toepassing kunnen zijn. De deontologie is van toepassing op elke handeling van alle vrije beroepsbeoefenaars, ongeacht of deze handeling al dan niet intellectueel kenmerkend is voor hem of haar.

Het onderscheid tussen intellectueel kenmerkende en niet-intellectueel kenmerkende prestaties speelt echter wel nog een rol wanneer de economische inspectie uw kantoor visiteert voor wat betreft de vaststelling van een inbreuk op het WER. Bij zo'n visitatie is de bijstand van een vertegenwoordiger van uw Instituut soms vereist (artikel XV.10/1 WER). Deze visitatie kan dus slechts plaatsvinden nadat de vertegenwoordiger van uw Instituut behoorlijk werd opgeroepen. Deze vertegenwoordiger dient te oordelen of, en in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met uw beroepsgeheim. Zijn bijstand is wettelijk enkel vereist bij inbreuken die verband houden met de intellectueel kenmerkende prestaties van de vrije beroepsbeoefenaar, doch niet bij andere.

Verdere vragen?
Indien u met concrete problemen hieromtrent geconfronteerd zou worden of indien u verdere vragen heeft over deze hervorming, dan kan u altijd contact opnemen met de diensten van het IAB, in het bijzonder met de studiedienst.

Met confraternele groeten,
Bart Van Coile Benoît Vanderstichelen
Ondervoorzitter Voorzitter

      Tags

      • Ondernemingsrecht
      • Vrije beroepen
      • Wetboek van Economische Recht
      • ondernemingsrechtbank